14 miljoen zelftesten onderweg naar scholen

14 miljoen zelftesten onderweg naar scholen

Vanaf vandaag komen er miljoenen zelftesten beschikbaar voor basisscholen, middelbare scholen en scholen voor speciaal onderwijs. Hiermee kunnen  besmettingen sneller worden opgespoord en uitbraken zoveel mogelijk worden voorkomen. Binnen twee weken zijn alle scholen voorzien van zelftesten voor ongeveer twee weken. Daarna worden er elke week nieuwe sets testen geleverd. In totaal gaat het om 14 miljoen zelftesten tot aan de zomervakantie.

De zelftesten zijn een aanvulling op de al bestaande maatregelen op scholen, zoals afstand houden, handen wassen en thuisblijven bij klachten. Het afnemen van zelftesten is altijd vrijwillig.

Testen voor onderwijspersoneel

De zelftesten worden preventief ingezet voor onderwijspersoneel. De testen worden ook beschikbaar gesteld voor het personeel van de kinderopvang als de opvang in hetzelfde gebouw zit als de school. Personeelsleden kunnen de test twee keer per week thuis uitvoeren wanneer ze geen klachten hebben. De testen zijn eenvoudig af te nemen, doordat ze minder diep de neus in gaan dan de reguliere coronatesten in de GGD-teststraat.

Duidelijkheid

Zo hebben de docenten snel duidelijkheid en kunnen ze met een gerust hart voor de klas staan. Wie positief test, gaat in quarantaine en maakt een afspraak bij de GGD voor een reguliere test. Deze test bij de GGD is nodig ter verificatie en voor de start van het bron- en contactonderzoek. In de GGD-teststraat heeft onderwijspersoneel prioriteit, zodat de uitslag snel bekend is.

Testen van leerlingen

Middelbare scholen krijgen vanaf vandaag ook testen geleverd voor het risicogericht testen van leerlingen en onderwijspersoneel. Dat betekent dat daar wordt getest op het moment dat er een besmetting op school bekend is. De zelftesten zijn voor leerlingen en leraren die wel afstand hebben gehouden tot de besmette persoon, maar bijvoorbeeld in dezelfde ruimte hebben gezeten.

Begeleider

Als er een besmetting is neemt de school contact op met de GGD om samen te bepalen wie de nauwe contacten van de besmette persoon zijn en meteen naar huis gestuurd worden, om conform de regels in quarantaine te gaan en een test bij de GGD-teststraat te laten doen. Vervolgens stelt de school samen met de GGD vast welke leerlingen een zelftest kunnen afnemen. Ze worden daarbij ondersteund door een begeleider op school. Ouders moeten vooraf toestemming geven voor het zelftesten.

Voor meer informatie over zelftesten in het onderwijs ga naar: www.zelftesteninhetonderwijs.nl.

Bron: ministerie van het OCW

Verlenging inhaal- en ondersteuningsprogramma (IOP) en regeling Extra hulp voor de klas

Berekening budget voor starters en schoolleiders toegevoegd aan model aanpak werkdruk 2021/2022

 Het Nationaal Programma Onderwijs heeft een verlening van de regeling inhaal- en ondersteuningsprogramma gepubliceerd. Het is bedoeld om studenten en leerlingen extra ondersteuning te bieden vanwege leerachterstanden. Er is ook een subsidiereling Extra hulp voor de klas, deze regeling is ervoor bedoeld om de continuïteit van het onderwijs te bevorderen en de gevolgen van de coronamaatregelen op te vangen door middel van inzet van extra personeel. Deze regeling wordt ook verlengd.

 SUBSIDIEREGELING INHAAL- EN ONDERSTEUNINGSPROGRAMMA’S ONDERWIJS 2020–2021 

 Inhaal- en ondersteuningsprogramma

De subsidieregeling wordt verlengd tot en met het eind van dit jaar. Scholen en instellingen kunnen vanaf 15 april 2021 tot en met 2 mei 2021 (opnieuw) subsidie aanvragen voor dergelijke programma’s. De eerste aanvraagperiode duurt tot en met 2 mei 2021. Als hierna nog middelen resteren, wordt er een tweede aanvraagtijdvak opengesteld van 1 tot en met 13 juni 2021. Er is voor het vo totaal € 94 mln. beschikbaar

Extra hulp voor de klas

Ook de regeling ‘Extra hulp voor de klas’ wordt naar verwachting deze maand nog gepubliceerd waarbij men rekening moet houden dat de aanvraagperiode zeer kort daarna (mei) ingaat. Aanvraag geschiedt net zoals de eerste regeling via de penvoerder van de RAP regio waarbij de school is aangesloten. Scholen die nog niet aangesloten zijn bij hun RAP regio kunnen zich voor deze aanvraag alsnog aansluiten.
Opnieuw zal er voor het vo € 56 mln. beschikbaar zijn.

Om overzicht in de diverse (corona)regelingen te houden wordt door de VO-raad een lijst actueel gehouden met daarop alle van toepassing zijnde regelingen (zowel verlopen als actueel).

Bron: VO-raad

Thuishouden leerling melden bij Veilig Thuis?

Thuishouden leerling melden bij Veilig Thuis?

De PO-Raad en VO-raad signaleren dat er in de sector onduidelijkheid bestaat rondom het melden bij Veilig Thuis, als ouders hun kind(eren) van school houden uit angst voor corona of omdat ze het onderwijsaanbod niet passend vinden. De juiste handelingswijze in dit soort gevallen zou volgens de raden moeten zijn om als school eerst het gesprek met de ouders aan te gaan om samen tot oplossingen proberen te komen.

Een aantal kinderen gaat momenteel niet naar school omdat hun ouders de gezondheidsrisico’s (voor hen of een gezinslid) te groot vinden vanwege corona. Daarnaast zijn situaties bekend van ouders die hun kind thuishouden omdat ze ontevreden zijn over het geboden onderwijsaanbod. In een aantal van deze gevallen hebben scholen hiervan melding gemaakt bij Veilig Thuis. 

Formeel valt het onthouden van onderwijs ook onder het begrip kindermishandeling en dus onder toepassing van de ‘Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’. De laatste stap van deze meldcode is – indien dit nodig wordt bevonden – een melding bij Veilig Thuis. 

Echter, in het ‘Handelingskader kindermishandeling en huiselijk geweld’ – met daarin richtlijnen voor de uitvoering van de meldcode in de praktijk – staat: ‘Onderwijsprofessionals moeten ervoor waken dat deze – laatste – stap uit de meldcode niet te licht wordt genomen. Immers, verschil van inzicht over de onderwijsondersteuningsbehoefte van een kind is niet per definitie een signaal van kindermishandeling. In stap 2 van de meldcode (collegiale consultatie, advies Veilig Thuis of andere deskundige) dient men zich hiervan nadrukkelijk te vergewissen, evenals van de juiste uitvoering van stap 3 (gesprek met de ouders).’

Het is dus belangrijk om als school niet te snel tot melding over te gaan, maar eerst – in overleg met een collega en/of Veilig Thuis en op basis van een gesprek met de ouders – goed na te gaan wat de precieze situatie is. En in de hierboven genoemde gevallen waarbij er iets anders speelt dan mishandeling of verwaarlozing, vervolgens samen met ouders naar oplossingen te zoeken.   

Bron: VO-raad

Inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs goed besteed

Thuishouden leerling melden bij Veilig Thuis?

Om de impact van de coronacrisis enigszins te beperken, heeft de Rijksoverheid subsidie beschikbaar gesteld voor scholen en instellingen. Het geld is bedoeld om leerlingen en studenten extra ondersteuning te bieden bij leer- en ontwikkelachterstanden of studievertraging. Scholen hebben massaal gebruikgemaakt van de regeling, maar worstelen nu vaak met de exacte invulling en verantwoording van de gelden.

 

Uitvoerings-periode verlengd

De complexiteit van de verantwoording is ook aan de politiek niet voorbijgegaan. Zo is aan de motie om ‘de verantwoording over deze middelen te vereenvoudigen en de mogelijkheid open te stellen om de middelen ook preventief in te zetten’ gehoor gegeven. Verder krijgen scholen en instellingen meer tijd om de activiteiten in het kader van deze regeling te ontplooien of af te ronden. Omdat ook in schooljaar 2020/2021 sprake is (geweest) van (gedeeltelijke) sluiting van scholen en instellingen, kan tijdige uitvoering van de activiteiten in het kader van de Subsidieregeling inhaal- en ondersteuningsprogramma’s onderwijs 2020–2021 in de knel komen. Scholen en instellingen krijgen daarom tot en met 31 december 2021 in plaats van tot en met 31 augustus 2021 de mogelijkheid om inhaal- en ondersteuningsprogramma’s aan te bieden.

Iedere organisatie een eigen dynamiek

Deze verlenging biedt scholen en instellingen weliswaar meer ruimte, maar daarmee zijn de budgetten nog niet goed besteed en verantwoord. Iedere onderwijsinstelling heeft namelijk zijn eigen dynamiek en uitdagingen. De extra gelden besteden de organisaties daarom verschillend en passend bij hun organisatie:

  • Organisaties in het primair onderwijs kiezen vaak direct voor extra hulp in de klas en daarmee voor meer aandacht per leerling. Ook brengen ze hiermee achterstanden terug en voorkomen ze dat deze verder oplopen. Deze ondersteuning betreft voornamelijk de inzet van onderwijsgevend personeel van leerkrachten, interne begeleiders en onderwijsassistenten.
  • In het voortgezet onderwijs is een groeiende behoefte aan extra inzet van surveillanten tijdens centrale examens, zodat de docenten zich kunnen toeleggen op het geven van extra onderwijs. Maar ook ondersteuning in faciliteiten of administratie. Verder zien we een toenemende vraag naar docenten Entree.

Investeren in welzijn van leerlingen en studenten

Naast een toegenomen vraag naar onderwijsgevende en ondersteunde medewerkers, zien we ook dat scholen kijken naar een creatieve besteding van het budget om urgente problemen op te lossen. Door corona is genadeloos blootgelegd wat het onderwijs betekent voor onze maatschappij. Niet alleen in termen van cognitieve vaardigheden, maar nog meer op het sociaal emotionele vlak. Deze taak heeft het onderwijs altijd al serieus genomen, maar maatschappelijk is het onderbelicht en zijn we geneigd om voornamelijk te kijken naar toets resultaten. Nu we zien dat er grote problemen ontstaan in het welzijn van leerlingen en studenten, investeren onderwijsinstanties hier extra in. Dit doen ze door op zoek te gaan naar specialisten die je normaal niet of minder vaak in het onderwijs tegenkomt. Denk aan sociaal maatschappelijk werkers, psychologen en coaches. Vergeet daarbij ook de leraren en docenten niet. Preventief acteren op mentale gesteldheid én verbinding houden met medewerkers die al lange tijd op afstand werken is essentieel. Zij maken immers het verschil in de klas.

De impact van een testmaatschappij op het onderwijs

Het aantal besmettingen neemt weer toe. Ook onderwijsinstanties zitten soms met de handen in het haar als er weer een besmetting of zelfs een besmettingshaard is geconstateerd. Scholen bereiden zich momenteel voor op een situatie waarbij continu (zelf-)testen van leerlingen, studenten en personeel standaard onderdeel is van het werk. Inmiddels zijn de eerst ontheffingen voor zelftesten verleend door Rijksoverheid. Je ziet dat het onderwijs zich razendsnel aanpast aan de nieuwe realiteit. Helaas is het ook elke dag weer roeien met de riemen die er zijn. De extra gelden zijn uiteraard een welkome aanvulling, maar een goede besteding ervan is complex en vraagt om oplossingen om in te investeren.

Adaptief vermogen van het onderwijs

De dynamiek van het onderwijs is de afgelopen jaren steeds complexer geworden en daar heeft de coronapandemie een extra dimensie aan toegevoegd. Lees ook de whitepaper over lerarentekort. Maar het adaptief vermogen van de sector is groot. Dit ervaren wij bij Driessen iedere dag in de ondersteuning van onderwijsinstanties van het primair onderwijs tot hoger onderwijs bij de flexibele inzet van de bestaande én nieuwe functies die nodig zijn voor continuïteit, welzijn en gezond in de klas.

Bron: Driessen groep

Aan het zwoegen op je bestuursverslag? Lees hier waar de financieel inspecteur op let

Wanneer vindt een financieel inspecteur dat een bestuur zich goed verantwoordt? Hoe praat ze daarover met besturen? En waarom is die continuïteitsparagraaf toch zo belangrijk? Deze en meer vragen stelde de PO-Raad in gesprek met directeur Rekenschap en Juridische Zaken Annelies Opstraat en financieel inspecteur Ingrid van der Horst.

Als inspectie beoordelen jullie bij elk vierjaarlijks onderzoek de verantwoording van onderwijsbesturen over hun financiën. Waar let je dan vooral op?
Opstraat: ,,Dat besturen in hun verantwoording echt iets zeggen over hun ambities, waar ze staan, welke school of scholen ze willen zijn. In dat licht is het belangrijk dat een bestuursverslag niet alleen voor ons wordt geschreven, maar ook voor ouders, MR, gemeente en andere belanghebbenden.”

Van der Horst: ,,Het bepalen van de ambitie is het vertrekpunt voor besturen om hun onderwijsdoelen te bepalen. Wij bekijken in de verantwoording of en hoe die doelen zijn gekoppeld aan financiële middelen. Maar dat is vooruitkijkend. Wij kijken ook terug: zien we aan welke doelen de rijksmiddelen zijn besteed? Daarnaast besteden we in onze analyse aandacht aan de rechtmatigheid van de bestedingen en aan de financiële continuïteit van het bestuur. Tot slot letten we op de verantwoording in de continuïteitsparagraaf.”

Jullie zien dus een verhaal, niet alleen een jaarrekening?
Van der Horst: ,,Ja, we kijken naar de samenhang tussen beleid en financiële middelen. Dit is niet los van elkaar te zien. Als je geen geld meer hebt, kun je je doelen niet behalen. We kennen het format van de PO-Raad. Zo’n format helpt om bewust doelen te koppelen aan de inzet van financiële middelen, maar het is slechts een instrument. Het garandeert niet dat je verslag volledig is.”

Hoe praat je daarover met besturen?
Opstraat: ,,In veel onderzoeken trekken wij samen op met de inspecteur kwaliteit en in gesprekken met besturen vragen wij aandacht voor de koppeling tussen beleid en financiën. Daarnaast praten we met besturen over de continuïteitsparagraaf, waar kan of moet de verantwoording verbeterd worden? Als wij zien dat er iets wettelijk niet in orde is, dan zullen we daarop handhaven. Maar als inspectie hebben we natuurlijk ook de rol om een bestuur te stimuleren. Zo kunnen we aanraden om nog eens naar bepaalde onderdelen te kijken. Kortom: Sommige dingen móeten beter, andere dingen kunnen beter.”

Waar kunnen besturen over het algemeen wat meer aandacht aan besteden?
Van der Horst: ,,Dat is de continuïteitsparagraaf, waarin risico’s beschreven worden. De continuïteitsparagraaf werd in 2013 ingevoerd, naar aanleiding van enkele debacles in onderwijsland. De afgelopen jaren voerden we als inspectie verschillende onderzoeken uit naar de continuïteitsparagraaf en we concluderen hierin dat de kwaliteit ervan kan worden verbeterd. Bij elk vierjaarlijks onderzoek wordt de continuïteitsparagraaf nu onder de loep genomen. We willen niet alleen alle verplichte elementen terugzien, maar kijken ook nadrukkelijk naar de informatiewaarde ervan. Als er een element van de continuïteitsparagraaf niet aan de wet voldoet, dan geven we een herstelopdracht. ”

Opstraat: ,,Het opstellen van een kwalitatief goede continuïteitsparagraaf helpt een bestuur in control te zijn en draagt bij aan de dialoog met in- en externe belanghebbenden. Je schrijft ‘m niet alleen voor ons, maar vooral voor jezelf.”

Wat gaat er dan mis bij die continuïteitsparagraaf?
Opstraat: ,,Een voorbeeld is het intern risicobeheersingssysteem. Doel is dat besturen risico’s in kaart brengen, beheersen en jaarlijks of tweejaarlijks evalueren of die risico’s nog de juiste zijn. In de jaarverslagen zien we vaak wel aandacht voor het bepalen van risico’s en de bijbehorende beheersmaatregelen. Maar het is ook belangrijk dat het bestuur beschrijft hoe zij de risico’s heeft bepaald en welke aandacht er is geweest voor de beheersing van de risico’s. En het bestuur moet periodiek evalueren of de juiste risico’s in beeld zijn en of er aanpassingen nodig zijn. In gesprek met het bestuur blijkt vaak dat evaluatiegesprekken wel plaatsvinden. Maar het is dus belangrijk daadwerkelijk in je verslag op te nemen hóe je hebt geëvalueerd.”

Van der Horst: ,,Iets dergelijks geldt ook voor het verslag van de intern toezichthouder. Die verantwoordt vaak netjes over zijn wettelijke taken. Maar we willen ook terugzien hoe de intern toezichthouder het bestuur adviseert en ondersteunt. Wat waren de effecten van het intern toezicht in het afgelopen jaar en welke resultaten zijn er met het toezicht bereikt? Dat ontbreekt nog weleens in het verslag. Daarnaast is het een taak  van de intern toezichthouder om toe te zien op doelmatige en rechtmatige besteding van de rijksmiddelen. Daarover komt dan een standaardzin terug in de verslagen. Maar hóe doet de intern toezichthouder dat? Daar moet ook verantwoording over worden afgelegd.”

Opstraat: ,,Het gaat vaak wel over wat is er gedaan, maar niet over hoe het is gedaan.”

Zijn er specifieke tips die u PO-besturen wilt geven?
Van der Horst: ,,Heb aandacht voor de beleidsrijkheid van je verantwoording. Koppel in de meerjarenbegroting jouw doelen aan hoeveel geld je daarvoor nodig hebt. Kijk terug en vooruit.”

Opstraat: ,,Stel jezelf drie vragen bij het achteruitkijken en drie bij de vooruitblik: Welke doelen wilde je bereiken, wat heb je gedaan en hoeveel heeft je dat gekost? En: Wat wil je bereiken, wat ga je daarvoor doen en wat gaat het kosten?”

Wat verrast u bij de verantwoording in het bestuursverslag?
Van der Horst: ,,Het verrast ons dat in sommige jaarverslagen bij belangrijke elementen in een meerjarenbegroting geen toelichtingen zijn opgenomen. Of dat voor de toekomstige jaren elk jaar hetzelfde wordt begroot, bijvoorbeeld bij aantal fte, aantal leerlingen…”

Opstraat: ,,Dan is het lastig te doorgronden of een bestuur echt in control is.”

Van der Horst: ,,Wij merken dat sommige besturen te weinig aandacht geven aan de opvolging van een herstelopdracht bij de continuïteitsparagraaf of het verslag van de intern toezichthouder. Als inspectie kijken we of herstelopdrachten worden opgevolgd. Dus besteed er aandacht aan. En als je niet weet wat je moet doen: neem even contact op. De inspecteur is hiervoor gewoon bereikbaar.”

Tips

Bron: PO-raad

Leerlingen gemiddeld 47% van de tijd op school

Gemiddeld brengen leerlingen op dit moment 47% van de onderwijstijd door op school. Dat blijkt uit een peiling van de VO-raad onder ruim 500 eindverantwoordelijk schoolleiders. Scholen krijgen het daarmee met hun inspanningen voor elkaar om leerlingen aanzienlijk meer op school te laten zijn dan in het voorjaar, toen min of meer dezelfde regels golden, en het gemiddelde op 27% lag. Op veruit de meeste scholen komen leerlingen niet allemaal even vaak naar school: met name examenleerlingen en leerlingen zonder veilige thuissituatie komen vaker naar school dan anderen.
 
Op ruim driekwart van de scholen gaan leerlingen gemiddeld 20 tot 50 procent van de tijd naar school, 1 tot 2,5 dag in de week dus. Op slechts 1% van de scholen gaan leerlingen gemiddeld minder dan een dag naar school. Nog eens 1% van de schoolleiders geeft aan dat leerlingen de gehele onderwijstijd op school doorbrengen. Op veruit de meeste scholen (74%) komen leerlingen niet allemaal even vaak naar school: met name de examenleerlingen, leerlingen in een onveilige thuissituatie, en leerlingen die het mentaal moeilijk hebben of geen goede werkplek hebben thuis, komen meer op school dan anderen. Zij halen het gemiddelde dus omhoog.

Op school wordt op dit moment met name gefocust op (de kern van) alle vakken, welzijn en sociale aspecten, en toetsen en examens.

Perspectief nodig

Het is positief dat scholen aangeven dat alle leerlingen weer naar school gaan, vaak zelfs meer dan de minimum eis van één dag per week. Dit is te danken aan de enorme inzet en creativiteit van alle mensen op de scholen. Maar uit de peiling blijkt ook dat er zorgen zijn. Zo wordt benadrukt dat de 1,5 meter afstand tussen leerlingen, met name buiten de lessen om (in gangen, tijdens pauzes), moeilijk te handhaven is. Ook geven schoolleiders aan dat het hybride onderwijs, waarbij dezelfde les door een deel van de leerlingen op school wordt gevolgd, en door het overige deel van de leerlingen op afstand, minder effectief is en erg belastend voor leraren. Een deel van de scholen heeft er daarom voor gekozen om lessen twee keer te geven, bijvoorbeeld in de ochtend en de middag, zodat alle leerlingen de lessen live kunnen bijwonen. Deze scholen hebben het rooster aangepast en de lessen ingekort.

Verder blijkt uit de peiling dat de noodzaak groot is om op korte termijn meer perspectief te krijgen voor het voortgezet onderwijs. De VO-raad maakt zich al langer hard voor prioriteit van onderwijspersoneel in de vaccinatiestrategie, maar vindt daar vooralsnog geen gehoor voor bij het kabinet. Ook wordt er hard gewerkt om het mogelijk te maken sneltesten en zelftesten in te zetten in het onderwijs, om zo eventuele besmettingen op school snel de kop in te kunnen drukken. De VO-raad hoopt dat dit binnen afzienbare tijd overal mogelijk gaat worden.

Bron: VO-raad