Werkdruk aanpakken in het onderwijs?

Meer dan taakeisen verminderen

De werkdruk in het onderwijs, de zorg en bij de overheid is hoog. Daarmee vertellen we niets nieuws. Uit een onderzoek van de beroepsvereniging Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland bleek een paar jaar geleden al dat 85% dagelijks last heeft van het personeels­tekort. Ze zijn gedwongen steeds meer werk in minder tijd te verzetten en daardoor kunnen ze minder tijd besteden aan de patiënt. Ongeveer dezelfde ontwikkeling zien we in andere sectoren, zoals het onderwijs. Die ervaren werkdruk gaat vaak ten koste van werkplezier, kwaliteit van het werk, gezondheid en privéleven. En daar wordt niemand beter van.

Werkdruk betekent niet alleen dat je te veel werk hebt. De multi­disciplinaire richtlijn Werkdruk (2013) gebruikt de volgende definitie: ‘Als de hoeveelheid werk en de tijd waarbinnen dat werk af moet zijn (werkbelasting) het draagvermogen van de werknemer (belastbaarheid) te boven gaat, is er sprake van een hoge werkdruk. Vooral in combinatie met beperkte regelmogelijkheden (autonomie) en het ontbreken van voldoende steun door collega’s en leidinggevenden om aan de gestelde eisen te voldoen, vormt werkdruk een risico voor de gezondheid van werknemers’.

Werkbelasting
De organisatie bepaalt meestal de werkbelasting. Denk hierbij aan werk­inhoud, werkomstandigheden, werkverhoudingen en voorwaarden van arbeid. En de belastbaarheid zit aan de kant van de werknemer. Het gaat dan om factoren als gedrag, motivatie, gezondheid en competenties.

Werklast en werkdruk
We moeten ons realiseren dat werkdruk voor een belangrijk deel afhangt van hoe een werknemer het werk ervaart. Loyalis maakt een onderscheid tussen ervaren werklast en ervaren werkdruk. Ervaren werklast gaat onder andere over heel snel moeten werken, heel veel werk moeten doen en extra hard werken. Het ervaren van werkdruk betekent in sterke mate door het werk belast worden en ‘je overbelast voelen’.

Cijfers Onderwijs
Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2020 blijkt dat van de respondenten uit het onderwijs:

  • 30% vaak of altijd erg snel moet werken
  • 54% vaak of altijd heel veel werk moet doen
  • 37% vaak of altijd extra hard moet werken

Meer lezen over werkdruk
De ervaren werkdruk gaat vaak ten koste van werkplezier, kwaliteit van het werk, gezondheid en privéleven. En daar wordt niemand beter van. Met slimme oplossingen, diensten en tools biedt Loyalis u handvatten om preventie en vitaliteit goed beet te pakken. Nieuwsgierig naar onze visie op werkdruk? Lees hier het hele whitepaper.

Loyalis; Gids in Inkomen & Zekerheid
Loyalis wil de onderwijssector graag helpen door hun zorgen op het gebied van inkomen en arbeidsvermogen weg te nemen. Niet alleen door inkomensrisico’s af te dekken bij arbeidsongeschiktheid, maar ook door een gids te zijn voor werkgevers en werknemers. Sociale zekerheid wordt door nieuwe ontwikkelingen alleen nog maar ingewikkelder. We hebben de expertise in huis om hierbij te helpen.

Benieuwd hoe we uw organisatie verder kunnen helpen? Bezoek onze website

Plan van aanpak en verdere uitwerkingen NPO gepubliceerd

Het volledige plan van aanpak voor het Nationaal Programma Onderwijs (NPO), inclusief doelen, monitoring en evaluatie, is deze maand door demissionair minister Arie Slob aan de Kamer gestuurd.

Monitoring van het NPO verloopt langs twee hoofdlijnen:  

·        De implementatiemonitor – brengt in kaart welke interventies worden gekozen, welke uitvoeringsproblematiek wordt ervaren en hoe effectief bepaalde interventies zijn 

·        De resultatenmonitor- geeft een landelijk beeld van de vertraging die leerlingen hebben opgelopen en het herstel daarvan.   

Ook is er nog een effectmeting waarin bij een selecte groep scholen wordt onderzocht wat het effect is van een aantal kansrijke interventies en onder welke omstandigheden deze het beste werken.  

Rapportages en verlenging NPO 

Over voortzetting en eventuele verlenging van het NPO wordt voorjaar 2022 een beslissing genomen. Dit ook op basis van een eerste beeld van de besteding van middelen tot dat moment. Er wordt halfjaarlijks over het NPO gerapporteerd en eind 2023 vindt de eindevaluatie van het programma plaats. 

Kenniscommunity 

De Kamer heeft Slob gevraagd een onderzoeksnetwerk te vormen, die scholen in het po en vo aanvullende kennis over de interventies biedt. Dat netwerk is in ontwikkeling. De PO-Raad wil graag zien dat hiervoor wordt voortgebouwd op bestaande, ervaren netwerken die al met onderzoek en professionalisering bezig zijn, zoals werkplaatsen onderwijsonderzoek, partnerschappen samen opleiden, huisacademies, enz. Dit zal na de vakantie besproken worden in de Regiegroep van de Kenniscommunity waarin de PO-Raad zitting heeft. 

Gemeenten en NPO

Alle gemeenten ontvingen in juli een brief over het NPO-budget dat zij ontvangen en hoe dat besteed kan worden: onder meer in samenwerking met scholen om door corona veroorzaakte achterstanden in te halen. Meer informatie over de rol van de gemeenten vindt je op nponderwijs.nl.

Thuiszitters en NPO 

Voor thuiszitters (naar schatting zo’n 5.000 leerlingen) komt €3,5 miljoen beschikbaar voor schooljaar 2021/2022 en zo’n € 2,5 miljoen voor schooljaar 2022/2023. Dat bedrag wordt gericht ingezet om deze groep weer in verbinding met het onderwijs te brengen.

In de Menukaart met interventies is aandacht voor thuiszitters en schoolbesturen en gemeenten hebben een rol hierin. De demissionair minister heeft ervoor gekozen om samen met drie landelijke organisaties, Stichting Gedragswerk, Ingrado en het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd, in overleg met de betrokken gemeenten te kijken wat kan helpen bij het oplossen van thuiszitten. Wat dit traject volgens Slob uniek maakt is dat alle leerplichtambtenaren getraind worden en in gesprek gaan met de ouders en kinderen die dit betreft. Ook wordt monitoring gekoppeld aan dit traject.

Bron: PO-raad

 

 

Servicedocument OCW rond onderwijs en corona aangepast

Servicedocument OCW rond onderwijs en corona aangepast

Het ministerie van OCW heeft een geactualiseerde versie van het servicedocument gepubliceerd, waarin de regels en afspraken zijn samengevat rond het omgaan met het coronavirus op school. De update volgt op de verzending van preventieve testen voor leerlingen.

Met het document wil het ministerie schoolbesturen in het funderend onderwijs informeren en faciliteren om op een goede, veilige en ‘coronaproof’ manier invulling te kunnen geven aan de heropening van de scholen voor alle leerlingen. Hierbij wordt ook het belang onderstreept van het naleven van het protocol vo, dat is opgesteld door de sociale partners in het onderwijs. Dit protocol staat los van en naast het servicedocument. 

 Klik hier voor het servicedocument.

Klik op de afbeelding om te downloaden

Hoe breng je als schoolleider alle recente ontwikkelingen bij elkaar in een samenhangend plan?

Zo blijven je docenten een team – zelfs als ze thuiswerken

Er is momenteel volop dynamiek in het onderwijs. Na twee scholensluitingen, komt het bericht van een enorme financiële injectie om ‘achterstanden’ weg te werken. En ondertussen zijn er een paar duizend schoolleiders uitgeloot voor hun plan voor schoolontwikkeling. Hoe breng je als schoolleider al deze dingen bij elkaar in een samenhangend plan? En moeten er allemaal nieuwe dingen gebeuren?

Om meteen maar wat kou uit de lucht te halen rond het Nationaal Programma Onderwijs: Uiteindelijk komt het er op neer dat je als school precies doet wat je altijd al deed, alleen deze keer wel extra zorgvuldig:

1. Analyseer net als gebruikelijk, met extra aandacht voor ‘achterstanden’.

2. Reflecteer op de schoolontwikkeling, dat kan verdiept met het reflectie-instrument in dit artikel.

3. Integreer de inzichten en opbrengsten van 1. en 2. in het gebruikelijke schoolplan en jaarplan.

4. Voer de acties uit met de routines die je gewend bent, eventueel aangevuld met suggesties uit de ‘menukaart’.

5. Verantwoord alles net als anders in het jaarverslag.

 

Pas op de plaats

De dynamiek van de huidige situatie is genoeg reden om als schoolteam een pas op de plaats te maken en te reflecteren op het afstandsonderwijs. Een dergelijke reflectie resulteert in vier hoofdvragen:

  1. De twee perioden van scholensluiting en afstandsonderwijs. Welke inzichten hebben die voor ons opgeleverd?
  2. De discussie over ‘leerachterstand’ en mogelijke opgelopen vertraging. Welke positie nemen we daarbij in als schoolteam?
  3. Het Nationaal Programma Onderwijs waarmee 8,5 miljard euro naar de scholen toekomt. Hoe kijken we aan tegen de vraag om reparatie versus innovatie?
  4. De subsidieregeling ‘Schoolkracht’ waarvoor 4.700 scholen een plan hebben opgesteld en waarvan 95% is uitgeloot. Hoe gaan we dit plan alsnog uitvoeren in de huidige situatie?

In dit artikel bespreken we deze aanleidingen en brengen we ze met elkaar in verband middels een richtinggevend kader en een reflectieinstrument.

Reflectie-instrument bij dit artikel

Bij dit artikel hoort een reflectie-instrument in de vorm van 8 werkbladen met reflectieve vragen. Voor elke dimensie van het onderwijs is er een werkblad wat met het team doordacht kan worden. Dit instrument brengt de reflectie op afstandsonderwijs in relatie met de keuzes voor schoolontwikkeling. Tevens  worden verbanden gelegd met de regeling ‘Schoolkracht’ en het Nationaal Programma Onderwijs. Een klein team kan teambreed elke keer een thema doordenken. Bij een groot team zou er in groepen of middels bijvoorbeeld een carrousel gewerkt kunnen worden. Deze werkwijze levert wegwijzers op voor het schoolplan. Dit kan ook bestuursbreed overzicht geven over de schoolontwikkeling van de scholen van een bestuur.

Klik op de afbeelding om te downloaden

1 Scholensluiting

De onhoudbaarheid van het huidige onderwijssysteem is door de scholensluitingen meer zichtbaar dan ooit. Na twee perioden van thuisonderwijs zien we dat verschillen tussen leerlingen zijn toegenomen.[i]Dat is uiteraard een onwenselijke ontwikkeling. Het laat aan de andere kant ook zien dat lesgeven een vak is waarbij de pedagogische en didactische expertise van leraren fundamenteel is. De waardering voor leraren is hierdoor toegenomen en dat is een mooie ontwikkeling.
Het leerstofjaarklassensysteem wringt tegenwoordig nog meer dan het al deed. En dat is door de scholensluiting extra duidelijk geworden. Het gaat er in de basis van uit dat alle leerlingen in hetzelfde tempo zich dezelfde stof eigen maken. Omdat dit niet lukt, wordt er voor sommige kinderen wat stof geminimaliseerd en voor andere kinderen wordt verrijking gerealiseerd. Gechargeerd is het echter onderaan de streep voor veel kinderen toch ‘vandaag bladzijde 65 dus morgen bladzijde 66’. En ja, als de scholen dan een tijdje dicht zitten, is er vanuit dat perspectief natuurlijk een ‘leerachterstand’. De scholensluiting heeft laten zien dat er behoefte is aan een meer flexibel organisatiemodel, waarbij de verschillen tussen leerlingen uitgangspunt zijn, in plaats van dat de gemiddelde leerling als norm wordt gesteld.

 

2 Discussie leerachterstand

De term ‘leerachterstand’ wordt de laatste tijd door de scholensluiting veelvuldig gebruikt. Opvallend genoeg komt dit vooral in beleidsstukken voor. Enerzijds is er namelijk het perspectief van de gemiddelde leerling die in een bepaalde tijd een zekere hoeveelheid lesstof tot zich kan nemen. Door de scholensluiting is dat cognitieve leerproces (mogelijk) vertraagd en kun je spreken over een leerachterstand. Dat geldt overigens met name voor de leerlingen die vanwege hun thuissituatie toch al minder kansrijk in het onderwijsproces staan.
Het andere perspectief is de brede ontwikkeling van de leerlingen. Door de scholensluiting hebben ze juist op allerlei andere dan cognitieve gebieden veel geleerd. En zelfs over inhoudelijke vakken hebben veel leerlingen van alles geleerd. Alleen wellicht niet precies datgene wat in het methodeboek van het betreffende leerjaar staat. Hoe kijk je hier als schoolteam tegenaan?
Hierbij is enige relativering ook van belang. Een factor die een rol speelt bij de ontstane verschillen, is de sociaaleconomische achtergrond van de leerlingen. Er zit nogal een verschil tussen een quarantaineperiode op een boerenbedrijf of op de 12de verdieping van een flat. De scholensluiting heeft de kansenongelijkheid op deze manier eerder vergroot dan verkleind. Ook dit vraagt om een herinrichting van het systeem.
De discussie over het begrip ‘leerachterstand’ brengt je ook meteen bij wat de kern van onderwijs is of zou moeten zijn. Gaat dit over smalle opbrengsten of over brede ontwikkeling? Lesgeven is een proces waarbij je feitelijk door een bril kijkt met twee verschillende glazen. Door het ene glas zie je de lesinhouden die het kind zich eigen moet maken, door het andere glas zie je welke pedagogische doelen je bereikt met de manier waarop het kind aan deze doelen werkt. Je kunt ervoor kiezen om door één glas kijken, maar dan is het niet meer mogelijk om diepte te zien. Het blijft dus van belang om pedagogiek en didactiek niet tegen elkaar uit te spelen.

 

3 Nationaal Programma Onderwijs

Eind februari maakte minister Slob bekend dat er een enorme zak geld naar de scholen toekomt in het kader van het Nationaal Programma Onderwijs[ii]. De hoogte van de bedragen is nog niet bekend op het moment dat we dit schrijven, maar het is duidelijk dat het om substantiële bedragen gaat. Hoewel het om incidentele middelen gaat, speelt voor elke schoolleider de vraag: hoe kan deze impuls bijdragen aan duurzaam succes van mijn school en de onderwijskwaliteit?
Om die reden wordt er bij het opstellen van het beleid voor de komende tijd meer dan ooit gekeken naar de langere termijn: Waar moet het naartoe? Wat moet het onderwijs van de komende jaren opleveren en in welke termen definieer je dat dan?
De oorspronkelijke insteek van het Nationaal Programma Onderwijs is met name het repareren van leerachterstanden. Daarnaast is dit natuurlijk een prachtige kans om het geld mede te gebruiken voor structurele vernieuwing van het onderwijsbestel. Ook de PO-raad wil niet alleen reparatie, maar ook innovatie. Allerlei recente beleidsstukken van de overheid roepen daarnaast op tot een herziening van het onderwijsbestel, zoals ‘De Toekomst van ons onderwijs’.[iii] Het is dus zaak om te analyseren waar er ‘schade’ is opgelopen, hoe dit gerepareerd kan worden en welke structurele verbeteringen er doorgevoerd kunnen worden.

 

4 Schoolkracht

De subsidieregeling Schoolkracht[iv] wil schoolleiders en leraren ondersteunen met hun schoolontwikkeling. Het doel is dat scholen lerende, professionele organisaties worden én blijven en duurzame schoolontwikkeling in het funderend onderwijs wordt versterkt.
Het plan voor schoolontwikkeling moet gericht zijn op één of meerdere van de volgende thema’s: verbeteren onderwijskwaliteit; omgaan met leraren- en schoolleiderstekort; kansen(on)gelijkheid; digitalisering. Veel scholen hebben tijd en soms ook geld besteed aan het opstellen van een dergelijke subsidieaanvraag, terwijl 95% van die aanvragen nu ongelezen is uitgeloot. Inhoudelijk sluiten de thema’s uitstekend aan bij de doelstellingen van het Nationaal Programma. Het ligt dus erg voor de hand om het plan voor Schoolkracht hiervoor te hergebruiken en hierop uit te lijnen.

 

Onderwijskwaliteit: gezamenlijk verlangen

In elk van de hierboven genoemde aanleidingen, spelen vragen als ‘wat is een effectieve aanpak?’ en ‘wat is goed onderwijs’? En met een reden, want deze vragen moet elke school voor zichzelf beantwoorden. Het uitwerken van deze visie is het beantwoorden van de vraag: Hoe willen wij dat onze leerlingen de school aan het einde van hun schoolloopbaan verlaten? Welke kennis, houding en vaardigheden willen wij dat ze op dat moment laten zien? Dit is feitelijk het gezamenlijk verlangen van de school. Dit is daarmee tevens het ijkpunt waaraan alle ontwikkelingen gerelateerd moeten worden. Als iets niet bijdraagt aan dit gezamenlijke verlangen, waarom zou je het dan doen? De term ‘effectief’ moet in dit licht dus ook gebruikt worden in relatie tot het realiseren van het gezamenlijk verlangen.

Als bijlage bij dit artikel is een download beschikbaar met een uitgewerkte opdracht om als team te doen en zo het gezamenlijk verlangen vast te stellen.

 

Van gezamenlijk verlangen naar richtinggevend kader

Dit gezamenlijk verlangen is dus het startpunt om naar de huidige dynamiek te kijken en om dit in verbinding te brengen met schoolontwikkeling. Het is daarom ook het startpunt en de eerste dimensie van het model ‘dimensies van het onderwijs[v]’.

Dimensies van het onderwijs - Karels

Klik op de afbeelding voor een vergroting in een nieuw venster.

Je gezamenlijk verlangen kan vrij smal zijn, gericht op voornamelijk de cognitieve ontwikkeling van de leerlingen. Het kan echter ook gericht zijn op de brede ontwikkeling van kinderen. Overigens is de cognitieve ontwikkeling van kinderen onderdeel van deze brede ontwikkeling.
Deze smalle of brede focus heeft consequenties voor de inrichting van je onderwijs. Wil je namelijk ook brede ontwikkelvaardigheden als zelfstandig leergedrag, onderzoekend gedrag en sociale cohesie bevorderen, dan moet je leeromgeving een oefenplaats daarvoor zijn. Dat vraagt om een flexibel organisatiemodel, coachend leraargedrag, didactische expertise en een activerende stijl van lesgeven.
Op deze manier kun je voor elk van de dimensies bekijken waar je als school wilt staan. Het ijkpunt is steeds het gezamenlijk verlangen. Met je team denk je na over de uitdagingen en inzichten die deze bijzondere schooljaren je hebben gebracht in relatie tot je gezamenlijk verlangen en de huidige beleidsmatige ontwikkelingen.

 

Reflectie instrument

Het model van de dimensies van onderwijs is uitgewerkt tot een reflectie instrument. Dit instrument is aangevuld met vragen die gericht zijn op de ervaringen van het afstandsonderwijs. Op deze manier kunnen de opgedane inzichten uit het afstandsonderwijs toekomstgerichter gebruikt worden en bijdragen aan de verdere (duurzame) schoolontwikkeling. Vanuit deze reflectie kan ook gekeken worden naar de wegwijzers voor de toekomst. Hiermee wordt gelijk een verbinding gemaakt met de initiatieven uit het plan ‘Schoolkracht’ en met het element ‘innovatie’ uit het Nationaal Programma Onderwijs. Bij de dimensie ‘leerstof’ zijn vragen opgenomen die ingaan om het element ‘leerachterstand’.

 

Wegwijzers voor schoolontwikkeling

Elke reflectie op een dimensie sluit af met de vraag welke veranderthema’s deze reflectie heeft opgeleverd. Dit zou je wegwijzers voor schoolontwikkeling kunnen noemen. Deze wegwijzers kun je als team het beste in ‘transitietaal’ formuleren. Dat helpt namelijk om zowel het vertrekpunt als de richting duidelijk te zien. Enkele voorbeelden van wegwijzers in transitietaal:

Wij willen bewegen…
“… van een focus op smalle meetbare resultaten naar een focus op de brede ontwikkeling van leerlingen.”
“… van leraren die veel sturen naar leraren die leerlingen coachen.”
“… van methode als strakke leidraad naar een flexibele inzet van de methode.”
“… van gestandaardiseerde leerstof naar een meer gepersonaliseerde kennisbasis.”
“… van een klassikale organisatievorm naar flexibele en groepsdoorbrekende organisatievormen.”

In kader 1 staat een praktische uitwerking beschreven van een school die deze wegwijzers visueel heeft gemaakt.

 

Leerkern kiezen

Als je met elkaar een aantal van dergelijke wegwijzers hebt opgesteld, moet er nog een leerkern gekozen worden. Het bewegen op de diverse dimensies gebeurt namelijk niet in het luchtledige. Je leert als team dit veranderende gedrag alleen maar aan een inhoudelijk vak. Bijvoorbeeld rekenen, taal of de zaakvakken. Het zal per school verschillen welk vak hiervoor het meest geschikt is. Dat kan bijvoorbeeld afhangen van een methode die net aan vervanging toe is. Of een vak wat om andere redenen extra aandacht behoeft. Ook de leerlingpopulatie speelt hierbij een grote rol. Het is dus zaak om hier goed zicht op te hebben.

Een praktisch voorbeeld:
We gaan het komende jaar groepsdoorbrekend werken bij rekenen implementeren. Bij de inhoudelijke invulling nemen we daarin de rol van de leraar als didactisch coach mee. Als dit goed loopt, breiden we dit uit naar de andere basisvakken.

Daarna gaan we aan de slag met thematisch en geïntegreerd zaakvakonderwijs. We kiezen daarvoor een methodiek die aansluit op ons gezamenlijk verlangen. Als dit goed loopt, verdiepen we deze ontwikkeling door elementen van de taalontwikkeling te integreren in het zaakvakonderwijs.

Zelftesten voor onderwijspersoneel en teststraten

Zelftesten in en na de zomervakantie

Vanaf half april kunnen scholen een levering van zelftesten verwachten. De zelftesten in het reguliere basisonderwijs en speciaal (basis-) onderwijs zijn bedoeld voor gebruik door het onderwijspersoneel. In het voortgezet- en voortgezet speciaal onderwijs worden zelftesten ingezet voor het preventief testen van onderwijspersoneel en risicogericht testen van leerlingen. Het gebruik van zelftesten is altijd vrijwillig.

Onderwijspersoneel zonder klachten krijgt de mogelijkheid om zich twee per week preventief te laten testen. Dat geldt ook voor het personeel van de kinderopvang als zij in het gebouw van een school zit. Een zelftest is eenvoudig af te nemen, doordat ze minder diep de neus ingaan dan de reguliere testen in de GGD-teststraat. De test geeft binnen 30 minuten een uitslag. Zoals gezegd is deelname aan de preventieve zelftesten altijd op vrijwillige basis.

De scholen informeren hun medewerkers over de mogelijkheid van de zelftesten. De vertrouwelijkheid van persoonsgegevens is van groot belang. De uitslag van de testen van onderwijspersoneel worden niet op persoonsniveau geregistreerd door scholen. De GGD is verantwoordelijk voor de registratie van coronabesmettingen.

Testafname leerlingen tot 12 jaar

De zelftesten zijn alleen voor onderwijspersoneel en niet voor leerlingen in het po. Leerlingen kunnen nog steeds terecht bij de bestaande testlocaties. De GGD gaat wel het testen van kinderen van 0-12 jaar aanpassen. De kinderen krijgen vanaf uiterlijk 4 april niet langer een wattenstaafje diep in de neus, maar slechts 1-2 cm. De afname in de keel blijft hetzelfde om de betrouwbaarheid te handhaven. OCW hoopt dat ouders hierdoor sneller geneigd zijn om hun kinderen te laten testen.

Voortgezet speciaal onderwijs

Vanaf half april worden in het voortgezet- en voortgezet speciaal onderwijs zelftesten ingezet allereerst voor het risicogericht testen van leerlingen en onderwijspersoneel. Het risicogericht testen wordt gebruikt als er een besmetting bij een leerling of medewerker op school bekend is. Daarnaast kunnen deze scholen de zelftesten aanbieden voor het preventief zelftesten van het onderwijspersoneel.

Bron: PO-raad