2,25% loonsverhoging voor alle medewerkers in het primair onderwijs

2,25% loonsverhoging voor alle medewerkers in het primair onderwijs

De PO-Raad, AOb, FNV Onderwijs en Onderzoek, CNV Onderwijs, AVS en FvOv hebben een onderhandelaarsakkoord gesloten over een nieuwe cao voor het primair onderwijs. Voor alle medewerkers in deze sector stijgt het loon met 2,25%. Over de 500 miljoen die het demissionaire kabinet recent beschikbaar heeft gesteld voor de verbetering van salarissen in het primair onderwijs maken de PO-Raad en onderwijsvakbonden afspraken in de cao voor 2022.   

De belangrijkste punten uit het onderhandelaarsakkoord:   

·        De loonsverhoging van 2,25% gaat in vanaf 1 januari 2021 en wordt met terugwerkende kracht uitbetaald.   

·        De loonsverhoging geldt voor alle medewerkers in het primair onderwijs.  

·        De looptijd van de cao is van 1 januari 2021 t/m 31 december 2021. 

In december 2021 wordt de eindejaarsuitkering éénmalig verhoogd van 6,3% naar 6,5%.  

Het onderhandelaarsakkoord wordt de komende weken voorgelegd aan de achterbannen van de vakbonden en PO-Raad. 

Bron: PO-raad

VO-congresspecial in het VO-magazine

vo-congres

Lees de congresspecial van het VO-magazine.

Met onder meer drie schoolleiders over hoe zij de NPO-gelden inzetten. En de vraag aan docenten, schoolleiders en bestuurders: wat ga je komend jaar anders doen? Daarnaast komt rector Willem de Vos van het Christelijk Lyceum Veenendaal aan het woord over zijn boek Weetnietkunde. 

Lees daarnaast ook meer informatie van de congrespartners van de VO-raad. Op het congres kunnen, in verband met covid-maatregelen, geen exposanten aanwezig zijn. om toch kennis te nemen is er naast een print special ook een online special gemaakt. Lees hier alle informatie van de congrespartners.

Minder uitval onder startende leraren

Minder uitval onder startende leraren

De afgelopen jaren is de uitval van startende leraren flink gedaald. Waar in 2013 nog 22 procent van de starters het onderwijs binnen een jaar verliet, was dat in 2018 nog maar 9 procent. Begeleiding speelt een belangrijke rol in deze ontwikkeling. Dat blijkt uit Verkenning Startende leraren in coronatijd.

Ook geeft de Verkenning aan dat startende leraren steeds vaker begeleiding krijgen: kreeg 79 procent van de startende leraren uit het cohort 2015 begeleiding, onder startende leraren uit cohort 2019 is dit opgelopen tot 89 procent. Toch krijgen nog niet alle starters begeleiding en loopt de kwaliteit uiteen. Deze verkenning geeft inzicht in de verbeterpunten en laat zien wat de gevolgen van de coronacrisis zijn.

Verbeterpunten

Opvallend is dat een op zes startende leraren aangeeft dat ze geen begeleiding krijgen, terwijl bijna alle schoolleiders en HR-medewerkers aangeven dat er áltijd begeleiding is. Dat kan betekenen dat sommige starters de begeleiding die zij krijgen niet als begeleiding ervaren. Een andere verklaring hiervoor is dat een deel van de schoolleiders en HR-medewerkers denkt dat elke startende leraar begeleiding krijgt, terwijl dat in de praktijk niet het geval is. Daarnaast mist een op de drie starters één of meerdere onderwerpen die tijdens de begeleiding aan bod komen. Zoals de omgang met ouders, administratie en het maken van (handelings)plannen. Ook blijkt de begeleiding tijdens de coronacrisis van mindere kwaliteit te zijn geweest. Waar starters de begeleiding eerst met een 7,6 beoordeelden, was dat tijdens de coronacrisis een 6,9.

Maatwerk in de begeleiding is van belang. Het ontbreken van voldoende capaciteit en budget om starters optimaal te begeleiden, is een knelpunt dat uit de verkenning naar voren komt.

De dataverzameling is uitgevoerd door DUO Onderwijsonderzoek. In totaal hebben 57 HR-medewerkers, 107 schoolleiders en 239 leraren de vragenlijst volledig ingevuld.

Bron: AVS

Loononderzoek 2019: schoolleiders verdienen minder dan managers uit andere sectoren

Het onderwijs blijft op het gebied van lonen achter ten opzichte van gelijken uit andere sectoren. Schoolleiders in het basis- en voortgezet onderwijs hebben het grootste negatieve loonverschil ten opzichte van managers uit andere sectoren. Dit blijkt uit het onderzoeksrapport ‘Loonverschillen tussen werknemers in het onderwijs en vergelijkbare werknemers in andere sectoren in 2019’ dat de onderwijsministers Slob en Van Engelshoven op 10 september naar de Tweede kamer hebben gestuurd.

Naast betrokkenheid van de AVS zijn ook de andere sociale partners in het onderwijs (PO-Raad, VO-raad, MBO Raad, VH, VSNU, AOb en FVOv) betrokken bij het onderzoek. Alle betrokkenen van deze partijen zijn het er over eens dat het onderwijs concurrerende arbeidsvoorwaarden moet kunnen bieden om voldoende goede werknemers aan zich te binden. De personeelstekorten lopen nog steeds op. De beloning speelt hierbij een belangrijke rol. De discussie over de beloning heeft ook invloed op de cao-afspraken.

Om inzicht te krijgen in die concurrentiepositie, met name wat betreft de beloning, hebben de ministers opdracht gegeven voor dit onderzoek. Dit onderzoek is een vervolg op eerder onderzoek (uit 2017)naar de beloningsverschillen tussen onderwijssectoren en marktsectoren en voegt daar een methode om loonverschillen te analyseren aan toe. De onderzoekers hopen dat deze rapportage het gewenste inzicht biedt aan de betrokken partijen en hen ondersteunt bij het maken en faciliteren van afspraken in de toekomst over de arbeidsvoorwaarden in het onderwijs.

Conclusies

In het loononderzoek komen een aantal opmerkelijke conclusies naar voren. De resultaten naar functiegroep laten voor het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs zien dat schoolleiders en managers het grootste negatieve loonverschil hebben ten opzichte van managers uit andere sectoren.
Voor vo-docenten is er een positief loonverschil. Ook ondersteunend personeel verdient minder dan vergelijkbare werknemers in de markt. Dat geldt bijvoorbeeld specifiek voor onderwijsassistenten.

Bij meerdere cao-onderhandelingen voor het primair onderwijs is dat door de AVS al herhaaldelijk aangekaart, maar heeft dat tot op heden niets extra’s opgeleverd.

Een ander opmerkelijk verschil is dat mannen in het onderwijs relatief vaak een lager uurloon hebben dan vergelijkbare werknemers in de marktsector. Vrouwelijke werknemers met een deeltijdbaan hebben meestal juist een hoger gemiddeld bruto uurloon dan de best vergelijkbare werknemers in de marktsector. Dit geldt voor vrijwel alle overheids- en onderwijssectoren, maar niet voor het primair onderwijs. Daar ligt het bruto uurloon voor vrijwel alle werknemers lager dan voor de best vergelijkbare werknemers in de marktsector.

Goede secundaire arbeidsvoorwaarden

Voor het onderzoek zijn tien cao’s in de (semi)publieke en marktsector met elkaar vergeleken. Positief is dat de onderwijscao’s op veel punten bovengemiddeld scoren. Het gaat om belangrijke aspecten als individuele opleidingsfaciliteiten en faciliteiten voor duurzame inzetbaarheid, waarbij in de onderwijscao’s vaker dan in de andere onderzochte cao’s – boven op de vergoeding van tijd en geld voor door de werkgever opgedragen scholing – een normatief aantal uren en in het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs bedragen per jaar zijn opgenomen voor individuele werknemers. Ook betaald zorgverlof en betaald ouderschapsverlof zijn bovengemiddeld goed.

Minder aantrekkelijk zijn de onderwijscao’s waar het gaat om de compensatie van overwerk en van werken op onregelmatige tijden, waarbij er meestal geen mogelijkheden zijn voor leraren en leidinggevenden.

Het loononderzoek heeft betrekking op het kalenderjaar 2019. Het vorig onderzoeksrapport dateert uit 2017. In de periode die ligt tussen deze rapporten zijn de salarissen van de leerkrachten aanmerkelijk toegenomen door de extra beschikbaarstelling van de gelden (270 miljoen euro) voor de leerkrachten. Voor de schoolleiders en onderwijsondersteunend personeel zat er destijds niets extra’s in het vat. De AVS blijft zich er volop voor inzetten om ook de andere sociale partners te overtuigen om dit zo snel mogelijk recht te zetten en ook schoolleiders extra te belonen.

Tot slot: de feitelijke arbeidsomstandigheden zoals werkdruk, die de aantrekkelijkheid van een sector ook bepalen, zijn in dit onderzoek niet vergeleken. De aanbiedingsbrief, het onderzoeksrapport ‘Loonverschillen tussen werknemers in het onderwijs en vergelijkbare werknemers in andere sectoren in 2019’ en het addendum zijn hieronder te downloaden.

 

Bron: AVS 

Vraag subsidie aan voor activiteiten rondom gezonde voeding

Vraag subsidie aan voor activiteiten rondom gezonde voeding

Voor scholen (po, so, vo en mbo) is opnieuw subsidie beschikbaar om hun leerlingen in aanraking te laten komen met gezonde en duurzame voeding. Tot en met 30 september kunnen ze vanuit de stimuleringsregeling ‘Jong Leren Eten’ een financiële bijdrage krijgen voor drie activiteiten: moestuinieren, koken of een excursie of gastles op het gebied van voeding.

Doel is om kinderen en jongeren zo op een praktische manier gezonde en duurzame voedingskeuzes te leren maken, wat bijdraagt aan hun gezondheid. 

Per schoollocatie is een bedrag van maximaal 2000 euro beschikbaar. Meer informatie over de regeling is te vinden op de website van jonglereneten.nl. Hier vindt je ook een overzicht van de activiteiten rond voedseleducatie in jouw regio en inspiratieverhalen

Vraag per 1 september de subsidie Jong leren eten aan.

In de factsheet Evaluatie Jong Leren Eten leest u op hoofdlijnen de resultaten van de regeling in de eerste subsidieronde in het schooljaar 2018-2019.

Bron: VO-raad

Uitwerking arbeidsmarkttoelage achterstandsscholen bekend

Uitwerking arbeidsmarkttoelage achterstandsscholen bekend

Op 24 augustus 2021 hebben schoolorganisaties met vestigingen met veel achterstandsproblematiek een brief ontvangen van het ministerie van OCW over extra bekostiging voor de arbeidsmarkttoelagen voor onderwijspersoneel. De brief van minister Slob bevat ook de verwijzing naar de website waarop de in aanmerking komende vestigingen staan, inclusief een informatietool waaruit blijkt om welk bedrag aan bekostiging het gaat.

De brief volgt op het voor de zomer genomen besluit om voor de komende twee schooljaren in totaal 375 miljoen euro beschikbaar te stellen voor specifieke arbeidsmarkttoelagen in het primair en voortgezet onderwijs. Het kabinet beoogt hiermee om, zoals de minister dat noemt, ‘scholen met een uitdagende leerlingpopulatie’ beter in staat te stellen goede medewerkers te behouden en aan te trekken. Volgens de berekeningen van OCW is het mogelijk om gemiddeld een arbeidsmarkttoelage van 8% toe te kennen met een minimum van 5%.

Het kabinetsbesluit betreft een eenmalige investering voor de duur van twee jaar voor een beperkt aantal scholen (ongeveer 15%). Eerder hebben VO-raad, PO-Raad en vakbonden hier bezwaren tegen gemaakt. Met als belangrijkste argument dat de geschetste (arbeidsmarkt)problematiek structureel van aard is en zich uitstrekt over de gehele sector. Daarom zijn structurele en generieke investeringen nodig.

Voor het toekennen van arbeidsmarktoelagen zijn afspraken nodig met de PMR. Toen OCW aangaf dat zij ondanks onze bezwaren, zouden doorgaan met deze regeling, hebben PO-Raad en VO-raad hiervoor een richtlijn opgesteld. De richtlijn is vooral bedoeld als praktisch hulpmiddel om deze afspraken op het niveau van school of schoolbestuur met de medezeggenschapsorganen te maken.

Bekijk de richtlijn van de PO-raad en VO-raad.

Bron: VO-raad